dinsdag 24 augustus 2010

Vandaag

Zondag hadden we een neven- en nichtendag gepland in restaurant Vandaag. Het concept wat daar beproefd wordt is dat je twee uur lang toegang krijgt tot allerlei soorten eten – nouveau cuisine – en dat je daarna volgevreten je auto inrolt en naar huis gaat. Mijn broertje en ik gingen ook. We waren aangewezen op de bus. Tel daar bij op dat ik nooit precies weet hoe laat het is, en je kunt je voorstellen hoe ik haastig op hakken over het ribbelige station stiefelde, op weg naar het trefpunt. (wat móeten al die stomme ribbels daar eigenlijk? Zelfs geleidehonden hebben er toch niet zoveel nodig?) Uiteindelijk zaten we in de bus op weg naar Leidsche Rijn. Er ging een hele nieuwe wereld voor me open. De brug die Leidsche Rijn van de Vleutenseweg scheidde gaf zicht op een troosteloos, verlaten geheel. Het was natuurlijk zondag en deze ministad is nog in ontwikkeling, maar het zag er nogal spookachtig uit. Mooie appartementen, midden op braakliggende terreinen. Weinig groen, geen auto's, geen fietsers. Geen geluid. Chique, maar uitgestorven. De buschauffeur, een onwillige, niet al te snuggere Pool, zette ons een halte te vroeg uit de bus. Daar staan we dan, op een T-splitsing, vlakbij een industrieterrein. Blik naar links: snelweg. Blik naar rechts: snelweg! Wat nu?
Gelukkig zien we in de verte drie stipjes. Het zijn locals, en ze hebben een hond. Opgelucht lopen we ze tegemoet. Ze wijzen ons vriendelijk de juiste richting. We beginnen met lopen. De paar auto's die ons tegemoet komen, kijken naar ons, en draaien hun hoofden om tot we niet meer te zien zijn. Wij kijken zo goed en zo kwaad als we kunnen terug. Blijkbaar is dat hier gebruikelijk, en wij zijn niet te beroerd om ons aan te passen.
Na een minuut of tien zijn we er dan. We hebben gereserveerd, maar dat zie je aan de rij voor de kassa niet af. Om in het restaurant te komen, moet je een statige trap op, van ongeveer honderd treden. Vanaf tree vijftig staan er mensen te wachten. Gelukkig is er al familie binnen en kunnen we de rij omzeilen. Als we eenmaal een tafel toegewezen hebben gekregen, kan het Grote VoedselFest een aanvang nemen. Het is een soort van La Place, maar dan afgekocht, en niet alleen Europees georiënteerd – eerder oosters. Sushi en saté kunnen naast elkaar op je bord. Het restaurant zit bomvol en het eten wordt bereid waar je bij staat. Hetgeen rijen oplevert, gevuld met boos kijkende mensen die je hoofd zullen wokken als je voordringt. Iedereen die hier komt, heeft gereserveerd, maar sommige mensen zijn blijkbaar bang dat er voor hen niet genoeg eten zal zijn. Mijn eerste honger stil ik, duizelig van de massa, alle verschillende voedselsoorten en de vermoeiende reis, met wat simpele Belgische patat en een klein stukje kip. Voor de tweede ronde neem ik een stukje brood en verschillende oosterse liflafjes. Mijn maagwand begint al te protesteren – normaal eet ik niet zoveel. Maar mijn Hollandse geest fluistert me in: je hebt er voor betaald! Haal het eruit!!! Ik wip van mijn stoel en houd angstvallig mijn buik in, terwijl ik langs de etende gezinnen naar het dessertbuffet loop. Mijn bord hoef ik niet mee te nemen; als het leeg is, wordt het weggehaald door een ober. De jongen die onze tafel opruimt, is leuk en goed in zijn werk. Ik heb een zwak voor hem. We kletsen even en hij laat zich vaker zien dan strikt noodzakelijk – hij imponeert me met zijn behendigheid. Hij ruimt de tweede gang enthousiast in één keer af. We kijken elkaar aan met een als-dat-maar-goed-gaat-spannend-zeg!-blik. Ik zeg bemoedig-grappend tegen hem: 'Ik geloof in je, hoor!' Net als ik terugkeer van mijn tochtje, en mijn mond gevuld is met een flinke hap nougatine-ijs, duikt hij plotseling achter me op en grijnst: 'Ik heb niets laten vallen, dankzij jou!' Heel fijn, hot blondie. Good for you.
Een lichte pijn in mijn middenrif komt op, en ik besluit tot een kopje muntthee, voor ik mijzelf een maagruptuur bezorg. De vrouw vóór mij in de rij werpt haar koffie zonder scrupules over de man die haar per ongeluk aanstoot en vraagt daarna met quasiverschrikte ogen om een nieuwe koffie en een ober voor het opruimen. Met diezelfde blik kijkt ze mij aan als ze een nieuw kopje krijgt, en ik doe uit voorzorg een stap achteruit. Met een grote boog loop ik om haar heen, terug naar de tafel.
We zijn om kwart voor zes begonnen met eten: het is nu 19.44. Voor de tweede keer die dag schrik ik me wild als ik plotseling een stem bij mijn oor hoor bulderen. 'TOT WANNEER hadden jullie eigenlijk gereserveerd?!!!!!!!!!! Alsof je een oud boek openslaat, met zo'n door monniken versierde hoofdletter op iedere bladzijde. BAF!! Een blonde gastvrouw op leeftijd kijkt me met samengeknepen ogen en een bevroren glimlach aan. Ik zeg: 'Tot kwart voor acht. We vertrekken dan ook zometeen.' De vrouw snoeft, en zegt: 'Ja, graag, want weet u, de volgende groep staat alweer te wachten.... we willen afruimen en de tafel schoonmaken! De volgende groep.... ' Ze geeft een vage blik naar het buffet. Ik verwacht een dranghek vol dikbuikige rachitisbleekscheten met moordlustig hongerige ogen vol vliegen, maar de enige mensen die ik zie moeten óók binnen vijf minuten weg en proberen de kok nog even voor zijn centen te laten werken. Leidsche Rijn is de groeikern van de tweeverdieners, maar dat zie je er niet aan af. De gastvrouw kijkt naar mij, en dan naar haar horloge. Ze grimlacht. (= kruising tussen glimlach en grimas) De boodschap is duidelijk. We vertrekken. Broerlief en ik strompelen naar de bus, bij de juiste halte dit keer. Hoewel ik er geen bezwaar tegen gehad zou hebben om nu een stukje te lopen. Mijn broek knelt en mijn voeten zijn gezwollen. We ploffen neer op de stoelen en kunnen niet eens meer praten, zo vol zitten we. Ik fiets naar huis, rol op de bank en val in een diepe slaap onder het kijken van Lipstick Jungle. Nu weet ik wat leeuwen voelen als ze hebben gegeten. Vandaag is veel, heel veel.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten